Verwilderen

13 februari 2021,
harde lockdown.

Ik woon al een tijdje antikraak.
In een leegstaande psychiatrische instelling.
Aan de rand van het bos.
Er zijn niet veel huisgenoten meer.
Het is nu zo spartaans dat ze zich één voor één door hun ouders laten evacueren.
De verwarming is ontploft.
De stroom valt steeds uit.
We dragen joggingbroeken over onze joggingbroeken.
We liggen aan een infuus van hete thee.
We koken op butagas.

“Jesse van 23 wil graag opgehaald worden uit wat het paradijs leek.”
“Jesse van 23 wil graag opgehaald worden uit – niet huilen jongen, het leven wordt nog veel erger.”

Ik ben te oud.
Op je 32ste roep je niet meer om je papa en mama.
Je wil het wel.
Maar het is voor lul.
Het is eigenlijk al voor lul dat ik hier woon.

Langzaam verwilder ik.
Ik ben nieuwsgierig.
Hoe het zal zijn.
Ik ben altijd maar schoon geweest.
Vijf dagen geleden heb ik voor het laatst gedoucht.
Ik ben trots.
Haal mezelf over om vies naar buiten te gaan.
Aai m’n okselhaar.
Ik wist niet hoeveel het zou zijn.
Eigenlijk was ik er al bang voor, voordat ik het überhaupt had.
Maar het is heel zacht.
Net als het schaamhaar.
Alsof ik drie kleine huisdiertjes met me mee draag.
M’n beenhaar is donker als de wenkbrauwen van Frida Kahlo.
Zelfs die vier vreselijke zwarte tepelharen heb ik niet geëpileerd.
Dit is dus hoe ik er echt uit zie.

Ik dwaal in de schemer door de sneeuw en voel me als een stiekeme das in het bos.
Vraag me af of de dieren me nu als hun gelijke zouden zien, als ik hier naakt onder een bosje zou gaan liggen?
Van hoe ver zouden ze me ruiken?
Zou er eentje met me willen paren?
Is dit de huidhonger waar iedereen het over heeft?

Ooit ging ik het liefst naar het bos in m’n stadskleren.
Steek je zo lekker af.
Panterbroek, bloemenblouse.
Dat was voordat ik wild werd.
Voor het eerst denk ik na over een lied van Acda en de Munnik.

Ik ben mezelf niet of al die jaren nooit geweest.